dinsdag 11 december 2012

Het keerpunt begint met de tranen van God


Het keerpunt begint met
de tranen van God

Al dagen draai ik er omheen, al sinds het moment dat ik het het groene kartonnen doosje in mijn handen gedrukt kreeg van mijn vader. Hij had het gevonden tussen de spullen van mijn overleden moeder. Na de eerste vluchtige blik op de inhoud van het doosje, heb ik nog niet de moed kunnen vinden om er verder naar te kijken. Steeds opnieuw verplaats ik het van de tafel naar de kast maar nooit uit mijn blikveld. Soms denk ik zelfs dat er een vreemde aantrekkingskracht vanuit gaat, alsof stemmen uit het verleden me manen om een kijkje te nemen in hun leven van weleer. Ik weet wat er in het doosje zit, het zijn brieven en kaarten van lang geleden, zorgvuldig bewaard door mijn grootmoeder. Het tastbare bewijs dat ze ooit bestaan hebben, ooit een leven hadden voordat er ergens iemand besloot dat ze dood moesten. Maar nu is het dan zover, ik heb het doosje voor me staan en til het deksel eraf. De geur van vergeeld papier en vervagende inkt stijgt op en de zielen van de schrijvers verheugen zich op de stem die ik ze ga geven.
Bovenop het stapeltje ligt de foto van mijn grootvader, hij blikt ernstig in de lens van de camera die hem op dat moment vereeuwigde. In zijn ogen is het diepe verdriet te lezen dat zijn hart verscheurt heeft. Hij stierf toen ik vijftien was, na zijn zesde hartinfarct. Dat hij het nog zolang volgehouden heeft is een godswonder te noemen. Zijn wil om te blijven leven was zo groot, alsof hij wilde bewijzen dat hij boven de dood kon staan. Hij was één van de weinige overlevenden van de holocaust. Het grote keerpunt in het leven van miljoenen mensen.
Ik leg de foto naast me neer zodat hij met me mee kan kijken. Dan pak ik voorzichtig de totale inhoud uit het doosje en krijg een onwerkelijk gevoel, alsof ik even tussen twee werelden vertoef. Een rilling trekt door mijn lijf en ik besef dat deze erfenis meer waard is dan ik kon vermoeden. Vanuit hun onvindbare graven, strekken ze hun handen uit naar mij. Naar het leven.

De eerste enveloppe die ik open, bevat drie kleine vergeelde briefkaartjes verstuurd vanuit Westerbork aan mijn grootouders. De eerste is gedateerd op “11 October 1942” De tekst luidt;

“Lieve Simon en Rina,
Wij zijn nog steeds in Westerbork, wij zijn gezond maar komen een boel tekort. Levy ligt in het ziekenhuis in Doetinchem, heel Rotterdam ligt hier. Wij vertrekken zeker niet voor vrijdag, wees zoo goed en ga naar Miep in de Vijverhofstraat en zeg dat je zoo spoedig mogelijk levensmiddelen stuurt. Mijn adres is; Lager Westerbork. Barak 84. M. Hofstede- de Winter, 3 april 1894. Aan alle de groeten, Bets en Maup.”

Ik herinner me de verhalen van mijn oma, hoe ze vertelde over het grote Joodse gezin waarin ze als jong 'christelijk' meisje terecht was gekomen. Haar schoonmoeder, al jong weduwe geworden met de zorg voor 8 kinderen, was een typische Jiddische mama. Als een ware 'kloek' bestierde zij haar gezin en een grote slagerij. Tot het moment dat zij weggevaagd werden, gewist uit de tijd. Ontelbare keren heeft zij de namen genoemd van allen die weggevoerd zijn, hun wisse dood tegemoet. Ik heb ze in mijn geheugen geprent en nu, met het bewijs van hun bestaan in mijn handen ben ik blij dat ik ze 'ken'.

De tweede kaart is gedateerd op “15 October 1942”

“Lieve Simon en Rina,
Het is donderdag en wij zijn nog steeds hier en vertrekken denkelijk vrijdag 16 Oct. Wij zijn gezond maar het is hier niks goed. Weinig eten en slechte ligging. Doe moeder en kennissen de groeten. Als ik niet vertrek, schrijf ik om levensmiddelen, wij gaan op hoop van zegen. Kop op..het is hier stikvol. Doe Eef, tante Suus ( stukje onleesbare tekst) het beste, Maup en Bets.”

De derde en tevens laatste kaart is gedateerd op “18 November 1942”

“Lieve Rina, Simon en kinderen,
Vaarwel bij mijn vertrek vanuit Westerbork. Levy ( 's nachts 1 uur)”

Het handschrift is sierlijk maar duidelijk gehaast, de tekst veelzeggend. Voor mijn geestesoog reizen de beelden op zoals ik ze ken van documentaires op tv. De treinen met open vee-wagons, volgestouwd met mensen. Jong, oud, kinderen. Hartverscheurende beelden van gezinnen die uit elkaar gerukt worden. Tranen vullen mijn hart omdat ik nu weet wat zij slechts konden vermoeden. Het was hun laatste reis. Achterop de enveloppe, waarin de kaartjes hun laatste rustplaats hebben gevonden, is geschreven; Opoe Hofstede/Sobibor, Levy en Maurits/ Opertiliciè. Ik heb gezocht maar niet gevonden, het woord is nauwelijks leesbaar en de 'plaatsnaam' niet bekend. Ze zijn verdwenen via de schoorstenen van de crematoria, te samen met miljoenen anderen.

Mijn hand zweeft boven de volgende enveloppe, mijn vingers trillen als ik hem open. Twee opgevouwen, dicht beschreven vellen papier vallen eruit. Mijn oog valt op de ondertekening “ Denk nog eens aan jullie Leentje”. Helena Hofstede de jongste zus van mijn opa, naar haar ben ik vernoemd. Haar beeltenis heb ik gezien in het oude familiealbum, een jonge vrouw met bekende gelaatstrekken. Zij verkoos de dood boven ondraaglijk verdriet en heeft zich verdronken in de vaart achter haar onderduikadres. Zou ze voorvoeld hebben dat haar familieleden nooit hun plaats meer in zouden nemen? Haar afscheidsbrief is gericht aan 'Oom Kobus' en 'Tante Geertje', de mensen bij wie ze een veilige haven had gevonden. Ze verwacht geen wonder meer, iedereen is weg en zij vormt een gevaar voor de goede mensen en hun gezin. Verraders slapen nooit.

Wolken schuiven voor de zon en de schaduwen in de huiskamer verdiepen zich, ik heb het koud. Alsof het donkere, kille water van de vaart zich boven mijn hoofd sluit. Regendruppels kletsen tegen het raam en vervolgen kronkelend hun weg naar beneden. De tranen, die zich verzameld hebben in mijn ogen, stromen over mijn wangen en vermengen zich met die van God. Dan breekt de zon weer door de wolken en het licht verdrijft de duisternis.
Een snelle blik op de klok laat zien dat het hoog tijd is om mijn kleindochter uit school te gaan halen. Ik hunker ernaar om haar in mijn armen te sluiten en het leven te omhelzen. Het leven dat voor velen zo abrupt geëindigd is. Het keerpunt voerde niet naar het eindpunt. Het bloed van Salomon, David, Simon, Levy, Maurits, Isaak, Corry en Leentje stroomt door mijn en haar aderen. Voorzichtig schuif ik de brieven terug in de enveloppe, het papier voelt broos en teer. Dan de foto van mijn grootvader weer bovenop het stapeltje en ik sluit het deksel van de doos. Het is mooi geweest voor vandaag. Met een zucht trekken de geesten zich terug in de schaduwen. Ze zijn tevreden, ze zijn 'gekend'. 

* Gepubliceerd in de bundel "Het Keerpunt" van uitgeverij LetterRijn.