donderdag 6 december 2012

Het Sprookjesboek, deel 2


Deel 2.

Het is bijna kerst, mijn vader zit op de grond omringt door karton en tekenpapier. Onder zijn vaardige handen ontstaat een gebouwtje, een kerkje! Hij knipt mooie raampjes uit en plakt er met wat Velpon een stukje rood crèpepapier achter. Als het straks klaar is gaat er een snoertje met een lampje in, zodat de raampjes mooi rood oplichten. Hij plaatst het gebouwtje op een stuk stevig karton en strooit er brokjes “nepsneeuw” op. Mama opent de huiskamer-deur met een zwaai en de brokjes sneeuw waaien alle kanten op. Papa moet lachen maar mama niet. Haar gezicht is bleek en ze heeft donkere kringen onder haar ogen. De zorgen tekenen haar gezicht. Bijna kerst en géén rooie cent in huis. Waar haalt ze het geld vandaan om een kerstboom te kopen en kadootjes? Sinterklaas was dit jaar ook al zó karig. Mijn blijdschap om het kerkje verdwijnt en de loodzware last van altijd geldgebrek neemt de plaats van mijn vreugde in. Ondanks haar moeite om de zorgen voor mij te verbergen weet ik hoe het zit. Het wekelijkse loonzakje van mijn vader is nauwelijks voldoende. De huurbaas eist zijn deel en ook de man die de muntjes brengt voor de elektriciteitsmeter moet betaald worden. Wat overblijft wordt verdeeld over de kruidenier en andere winkeliers waar we de hele week op “de pof” gekocht hebben. Er blijft nooit iets over en soms kan zelfs de kruidenier niet betaald worden. Antraciet is duur dus halen we eierkolen. Die branden wel sneller op en geven minder warmte maar er zit niks anders op. Soms staan de ijsbloemen tot laat in de middag op de ramen omdat mama de kachel niet aan kan steken.

 Vandaag hoef ik geen boodschappen te doen, vandaag gaat mijn moeder zélf! Ze loopt naar de kast in de hoek van de kamer en pakt haar portemonnee en de zegelboekjes. Elke week plakt ze trouw de spaarzegeltjes op die ze ontvangt van de kruidenier na het betalen van de rekening. Zo'n boekje brengt twee gulden en vijftig cent op! Ze wenkt me met haar hoofd en vraagt me om met haar mee te gaan. Eigenlijk heb ik er geen zin in, ik wil bij mijn vader en het kerkje blijven. Hij lacht naar me en beloofd dat we vanmiddag nog iets gaan maken! Een verrassing!

Het is nog steeds naar guur weer en mijn moeder kleed me goed aan. Dan gaan we! Eerst naar de kruidenier om de zegelboekjes in te leveren en de rekening te betalen. Dan naar de bakker en groenteboer. Nét als ik denk dat we naar de slager gaan, steekt mijn moeder de straat weer over. We lopen naar het deel waar de boekenwinkel zit. Daar kom ik bijna nooit! Het is een mooie winkel met in het midden een grote tafel waarop allerlei dingen staan uitgestald. Natuurlijk boeken voor grote mensen maar óók sprookjesboeken en knutselspulletjes. De grote boekenkasten langs de wanden zijn afgeladen met boeken en ik vraag me af wat er allemaal in staat. Zoveel boeken, zoveel te lezen maar ik kan nog maar nauwelijks lezen, ik ben nog maar 6 jaar. Mijn moeder laat mijn hand los en fluistert me toe dat ik wel even rond mag kijken, misschien mag ik zelfs nog wel iets uitzoeken! Ik weet precies wat ik wil en meteen ren ik naar de hoek waar de “aankleedpopjes” staan. Het zijn boekjes waar allerlei kleertjes in staan die je uit kunt knippen met van die witte stukjes die je dan om kunt vouwen zodat ze aan het kartonnen popje blijven hangen. Ik ben gék op die boekjes! Mijn moeder voert op zachte toon een gesprek met de man van de boekenwinkel en wijst naar iets wat op de toonbank ligt. Ik schenk er verder geen aandacht aan, de boekjes met de aankleedpopjes zijn véél belangrijker! Er staat nóg een klant in de winkel en als ik vlak bij hem ben, herken ik de man die me vorige week zo'n schrik aan gejaagd heeft. Hij staat met zijn rug naar me toe maar ik wéét zeker dat hij het is! Stokstijf blijf ik staan en dan draait hij zich om. Hij brengt zijn hand naar zijn mond en legt een vinger over zijn lippen. Mijn hart slaat bijna op hol van angst en ik ben blij als mijn moeder opeens achter me staat.
“Wat is er?” vraagt ze.
“Wil je geen aankleedpopje uitzoeken?”
Ik schud van nee en wil maar één ding, zo snel mogelijk de winkel uit!
Eenmaal buiten kijk ik nog een keertje om maar ik zie hem niet meer. Mijn moeder hervat haar weg met mij aan de hand en we lopen terug naar huis, de slager slaan we deze week over.

Als we thuis komen heeft mijn vader de knutselspullen op de eettafel uitgespreid, er staat een lege haarlakbus bij. Ik begrijp er niets van. Ik schuif aan tafel en kijk met grote ogen toe hoe hij van de lege bus zomaar een kerstman maakt! Van het rode crèpe-papier maakt hij het pak en de dop wordt de muts. Van het witte tekenpapier maakt hij een gezicht en een flinke pluk watten stelt de baard voor. Hij komt op het dressoir te staan, naast het witte kerkje met de brokjes nepsneeuw. Als de bel gaat en mijn grootouders binnen komen,  ben ik de man uit de boekenwinkel alweer vergeten. Oma heeft een tas boodschappen meegebracht en opa stopt mama wat geld toe. Vanaf mijn plekje aan de eettafel kan ik zien hoe ze heimelijk een traan van haar gezicht veegt, voordat ze het geld in haar schortzak stopt. Misschien kunnen we dan toch een kerstboom kopen!

Die avond, als ik in bed lig, komt de gedachte aan die man in de boekenwinkel weer terug. Waarom maakte hij toch dat “ssstt” gebaar, waarom mocht ik niks zeggen? Ik heb ook niks tegen mijn moeder verteld! Maar toch kriebelt het een beetje in mijn buik als ik eraan denk en ik kan de slaap niet vatten. Als mijn moeder nog even komt kijken voor ze zelf naar bed gaat, fluister ik zachtjes dat ik nog wakker ben. Ze gaat op het randje van mijn bed zitten en vraagt waarom ik niet kan slapen. Ik zeg dat ik het niet weet maar dat ik een beetje bang ben. Ze doet het licht in de gang aan en laat de deur op een kiertje staan. Bij de deur draait ze zich nog een keertje om en werpt me een kushand toe. Ik doe hetzelfde. Die nacht droom ik van kerstmis met alles erop en eraan. Een feestelijk gedekte tafel. Mijn vader en moeder hand in hand bij de kerstboom vol flonkerende lampjes en mijn broertje in de box bij de kachel. Onder de boom kleurige pakjes en sneeuw, véél sneeuw!
Als ik 's ochtends wakker wordt, staan de ijsbloemen dik op het slaapkamerraam en is het nog doodstil in huis. Zachtjes sluip ik mijn bed uit en trippel over de koude tegels door de gang. Voorzichtig open ik de deur naar de slaapkamer van mijn vader en moeder en schuif tussen hen in onder de warme dekens. Mijn moeder slaat haar armen om me heen en duwt mijn koude voeten tegen de rug van mijn vader die meteen klaarwakker schrikt. We stoeien en lachen wat totdat mijn broertje, in het ledikantje aan het voeteneind van het bed, wakker wordt en zijn deel van de pret opeist.

De dagen verstrijken, ik ga naar school en elke dag mag het kaarsje in de uitgeholde aardappel op mijn tafeltje, even aan. Tijdens de donkere ochtenduren flakkeren de kaarsvlammetjes in het klaslokaal en de juffrouw verteld elke dag een deel van het kerstverhaal.

Eerste kerstdag 1964

Het heeft vannacht gesneeuwd, het is heel stil buiten. Naast mijn hoofd op het kussen, ligt een klein cellofaan zakje gevuld met kleine groene hulstblaadjes en rode besjes, van snoep natuurlijk. Op het zakje een klein popje gemaakt van vilt. Het stelt een klein kerstvrouwtje voor, met witte schaatsjes aan. Ik hoor gerommel vanuit de keuken en met het pakje in mijn hand huppel ik op blote voetjes door de ijskoude gang. Dan blijf ik stokstijf staan, door de open huiskamerdeur zie ik de kerstboom, versierd met ballen en slingers. Aan de takken bungelen prachtige lampjes en aan de voet bij het houten kruis liggen pakjes! Mijn moeder kijkt me glimlachend aan, ze heeft mijn broertje op haar arm en roert in het pannetje pap op het fornuis.
“Even wachten meisje, zo  meteen mag je je pakjes uitpakken.”
Het wachten duurt lang maar dan is het eindelijk zover! Uit het eerste pakje komt een prachtige rood/witte Noorse trui, tevoorschijn. Ik strijk met mijn handje over de sterren en rendieren die liefdevol door mijn moeder ingebreid zijn. Het volgende pakje bevat een bijpassende muts en sjaal. ( hoeveel nachten heeft ze heimelijk gebreid?)  Nóg een pakje waarin twéé “aankleedpopjes” boekjes zitten en dan een beetje verscholen achter de stam, ontdek ik nóg een pakje.  Mijn vader kijkt verbaasd naar mijn moeder die een beetje heimelijk haar hoofd schud. Ongeduldig trek ik het papier eraf en staar naar wat er tevoorschijn is gekomen. Een groot dik boek, gebonden in wit leer met gouden opdruk. “Sprookjes van Andersen” staat er. Voorzichtig sla ik het open en ontdek naast de vele letters ook prachtige gekleurde prenten. Ik ben zó blij met dit prachtige kado! Mijn eerste échte boek! Ik klem het tegen mijn borst en kijk op naar mijn ouders, nog juist zie ik een schim bij het voorkamer raam voorbij schuiven. Was dat nou die man met die hoed?