zaterdag 8 december 2012

Het Sprookjesboek, deel 3


December 1966

Huppelend leg ik de laatste meters naar huis af, de smaak van anijsmuisjes nog in mijn mond. Vandaag heeft Solweig getrakteerd op beschuit met muisjes, haar zusje is vannacht geboren! Misschien wordt onze baby ook wel vandaag geboren! Het duurt een beetje lang voordat mijn moeder de deur opendoet maar dan eindelijk kan ik naar binnen om te vertellen van de traktatie op school.
“Mag ik óók trakteren als onze baby geboren is?”
Ik wijs op haar dikke buik onder de geplooide groene overgooier, één van de twee die ze vrijwel dagelijks draagt. De andere is donkerrood.
“Dat weet ik nog niet hoor” zegt ze terwijl ze zich omdraait naar het fornuis waar die eeuwige was op staat te koken. In de gang zijn lijnen gespannen en voor de kolenkachel staat een houten rek. Beide hangen altijd vol met kleren en de luiers van mijn broertje. Ik heb een hekel aan de lucht van kokend wasgoed en aan het vocht dat altijd in ons huis blijft hangen. De ramen zijn beslagen en druppels trekken spoortjes naar beneden. Maar misschien gaat het wel vriezen, dan word al dat water ijs! Dan kan ik met een warme stuiver of een cent mooie rondjes smelten en kijkgaatjes maken!
“Ga maar even met je broertje spelen” zegt ze terwijl ze steunend en kreunend de grote ketel van het gas tilt. Het water klotst een beetje over de rand en zo snel ze kan met die dikke buik, hevelt ze de kokende was over in een teil koud water om te spoelen. Eigenlijk heb ik geen zin om met mijn broertje te spelen. Ik voel even voorzichtig aan mijn gehavende neus waarin hij me gisteren gebeten heeft.

De afgelopen twee jaar zijn in mijn gedachten versmolten tot één lange grijze dag. Vanaf het moment dat mijn broertje ziek werd tot nu.  Het lijkt wel alsof het altijd winter is gebleven. Een lange grijze, kille winter.  Ik weet het nog precies, die ene nacht! Hij was al een paar dagen ziek en had hoge koorts, de dokter was geweest. 's nachts werd ik wakker en kwam mama niet toen ik riep. Het was stil in huis, veel stiller dan normaal. Raar is dat eigenlijk, ook al slaapt iedereen dan is het toch niet stil. Alsof je van binnen weet dat er andere mensen in de buurt zijn. Die nacht was het doodstil en kwam er niemand om me gerust te stellen. Voorzichtig glipte ik mijn bedje uit en schuifelde de gang over. Nog eens riep ik; “Mama?” En opeens hoorde ik vlak achter me een stem! Mijn hart sloeg minstens drie slagen over. De stem klonk geruststellend en vertelde me dat mijn ouders met mijn broertje naar het ziekenhuis waren. Ik hoefde niet bang te zijn! Volgens mij heb ik toen zó hard gegild dat ze me drie blokken verder konden horen! Een paar minuten later stond de buurvrouw in de gang en troostte me. Mijn ouders waren inderdaad met mijn babybroertje naar het ziekenhuis want hij was héél erg ziek! Negen maanden oud was hij. Toen ik hem weer zag was hij bijna twee! Ik herinnerde me een mollige baby met zachte blonde vlashaartjes maar het kindje wat nu in de box zat was een peuter met een bos dikke blonde krullen. Vijftien maanden had ik hem niet gezien, slechts elke dag met mijn boek in de wachtkamer van het ziekenhuis gezeten. Niemand mocht bij hem alleen papa en mama. Eerst alleen achter glas en later met zo'n wit pak aan. Vijftien maanden had ik elke dag na school, daar in het ziekenhuis gezeten en in die tijd had ik mijn dikke sprookjesboek twee keer gelezen. Sommige verhaaltjes zelfs drie keer! Zoals “Het meisje met de zwavelstokjes” die vond ik zó mooi!

Één keer had mama gevraagd hoe ik wist dat ze die nacht naar het ziekenhuis waren gegaan. Ik heb haar toen verteld van “die stem”, volgens mij geloofde ze er niks van! Toch weet ik zeker dat er 'iemand' was! Maar nu denk ik er niet meer aan!

Die nacht komt papa me wakker maken, hij kleed me aan en verteld dat de baby geboren wordt en hij me naar het huis van oma gaat brengen! Wat spannend, ik mag op mijn vaders rug zitten, dan kan hij harder lopen! We leggen de paar straten naar het huis van mijn oma zwijgend af. Ik houd me stevig aan hem vast terwijl zijn voetstappen hol weerkaatst worden door de huizen langs de straat. Het heeft iets betoverends zo midden in de nacht onder de heldere vrieshemel. De sterren flonkeren, bijna blauw en de maansikkel verbergt zich af en toe achter de hoge daken. Eenmaal bij oma mag ik in bed bij één van mijn tantes en val meteen weer in slaap.  De volgende ochtend word ik wakker gemaakt door mijn tante met de mededeling dat mijn baby-zusje is geboren! Een zusje! Dat wilde ik zó graag.

Thuis ligt mama in bed en de nieuwe baby in het wiegje in de hoek van de slaapkamer. Mijn vader duwt het dekentje een beetje opzij zodat ik haar kan zien. Wat lief!! Mijn zusje! Een mooier kerstfeest had ik me niet voor kunnen stellen! Twaalf dagen later liggen er pakjes onder de boom, een naaikistje gemaakt door mijn opa. Mijn oma heeft het gevuld met klosjes garen en borduurzijde. Lapjes stof in allerlei kleuren en knoopjes. Mama heeft me breien geleerd en nu gaat oma me leren hoe ik moet naaien en borduren! Die nacht droom ik een vreemde droom;

In mijn droom ben ik volwassen en bevind me op een groot plein ergens midden in de stad. Het is kerstmis en er staat een prachtig verlichte boom midden op dat plein. Er staat iemand naast me en als hij mijn naam noemt, herken ik zijn stem! Het is de stem die me toen die nacht vertelde waar mijn ouders waren. Als ik me naar hem toe draai zie ik een man met een lange zwarte jas en een hoed. Zelfs in mijn droom herinner ik me die man! Hij knikt me vriendelijk toe en dan pakt hij mijn hand. We wandelen samen naar een bankje en hij vraagt me te gaan zitten. Dan heb ik opeens het dikke sprookjesboek op schoot maar de sprookjes zijn niet dezelfde als in mijn échte boek! De prenten zijn ook anders, ik zie mezelf als jonge moeder met kleine kinderen om me heen. Ik lees ze voor uit een boek. Dan zie ik een prent van mezelf dat ik achter een soort machine zit, het is een naaimachine verteld hij. Ik maak kleren! En dan als laatste zie ik een prent waarop ik aan een tafel zit met een potlood in mijn hand en een boekje voor me. Als ik weer naar hem opkijk is hij verdwenen en word ik wakker.

Wat een vreemde droom