woensdag 5 december 2012

Het Sprookjesboek, een sprookje in 6 delen.




Deel 1
December 1964.

Het is koud, heel erg koud! Een gure noordenwind waait door de straten en de grijze lucht voorspelt niet veel goeds. Mama knoopt de sjaal stevig rond mijn nek en duwt het 'boodschappenboekje' in de zak van mijn jas.
“Weet je het nog?” vraagt ze.
Ik probeer te knikken maar de sjaal  rondom mijn hals zorgt ervoor dat ik nauwelijks een beweging kan maken.
“Jawel, éérst naar de groenteboer, dan naar de bakker, naar de kruidenier en als laatste naar de slager.”
“Goed zo”  Ze opent de buitendeur waardoor er meteen een flinke tocht-vlaag naar binnen waait. De kou prikt in mijn ogen en ik stap  naar buiten. Ik draai me nog een keertje om maar de voordeur is alweer gesloten. Snel loop ik naar de hoek van de straat en kijk goed links en rechts voordat ik oversteek. De groenteboer bevindt zich ergens halverwege de straat in een kelderpandje, ik daal voorzichtig de paar treetjes af en sta meteen tussen de houten kisten vol aardappels, penen en uien. Er staan nog wat mensen voor de kleine toonbank waarop een grote weegschaal met zo'n metalen schaal staat. Dan ben ik aan de beurt en ik overhandig mijn boodschappenboekje aan de man achter de toonbank. Hij heeft een klein brilletje op zijn neus en hij kijkt over de glaasjes heen als hij iets tegen me bromt vanonder zijn snor. Ook al versta ik hem niet goed ik weet tóch wat hij zegt;
“Zeg tegen je moeder dat ze zaterdag af moet komen rekenen want er staat nog iets van vorige week!”

Zó gaat het elke week! Overal waar ik kom met mijn boodschappentas en boekje krijg ik hetzelfde te horen. Met tegenzin stopt de groenteboer de gevraagde boodschappen in mijn netje; een kleine rode kool en wat aardappels. Ik vervolg mijn weg naar de bakker. Ook daar de mededeling dat mijn moeder moet komen betalen en een halfje on-gesneden wit omwikkeld met een papiertje verdwijnt in mijn tas. Onderweg naar de kruidenier pulk ik voorzichtig een plukje brood uit het halfje. Mijn want hangt bungelend aan het koordje uit de mouw van mijn jas. Meteen voelt mijn hand ijskoud en met moeite draai ik een klein balletje van het verse broodkruim wat ik snel in mijn mond stop. Straks krijg ik weer een donkere blik omdat ik aan het brood gepulkt heb! Als ik de deur van de kleine kruidenierszaak open,  klinkt het koperen belletje vriendelijk. Het is warm binnen en de houten vloer is bijna wit geschrobd met bleekwater. Ik kom hier graag! De kruidenier is de vader van mijn vriendje Piet en soms mogen we in het opslagschuurtje achter de winkel spelen. De hoge toonbank beslaat bijna de hele lengte van de winkel.  Ik kan er niet overheen kijken! De uitgestalde spullen staan achter glazen ruitjes en ik zie doosjes met geheimzinnige inhoud. Met moeite spel ik het opschrift; “Sun-Maid rozijnen.”
Aan het einde is de toonbank een stuk lager en daar loop ik naar toe. Er zijn nog meer klanten in de winkel en de vader van Pietje is druk bezig. Ik vind het niet erg en verlekker me intussen aan het snoepgoed dat uitgestald ligt onder de glazen bovenkant van de toonbank. Duimdrop, brokken witte borsthoning, salmiakpoeder in kleine cellofaan zakjes en rode lollies  Soms, héél soms krijg ik een stuiver en kan er dan uren over doen om iets te kiezen. Neem ik twee stukken duimdrop of alleen een brok van het witte kleverige goedje waar je dagen aan kunt sabbelen?

Mijn ogen dwalen van de lekkernijen naar de klanten in de winkel. Ik herken een buurvrouw van even verderop uit de straat. Ze kletst maar door en de andere klant, een lange man met een zwarte jas en hoed staat wat ongeduldig te wippen op zijn tenen. Opeens kijkt hij mijn kant op en zijn helderblauwe ogen kijken me vriendelijk aan. Hij schenkt me een dikke knipoog. Ik wend snel mijn hoofd af, de woorden van mijn moeder galmen meteen in mijn zesjarige hoofdje.
“Nooit met vreemde mensen praten!!”
De moeder van Piet komt vanuit de huiskamer achter de winkel en schuift zó achter de toonbank. Ze strijkt wat losgeraakte plukken haar achter haar oren en vraagt aan de man waarmee ze hem van dienst kan zijn. Ik volg haar bewegingen als ze koffiebonen in een zakje schept en afweegt op de weegschaal. Dan een zakje suiker vanuit een andere bak achter de toonbank. Eindelijk verdwijnt de praatgrage buurvrouw en ben ik aan de beurt. Een beetje verlegen overhandig ik de vader van Piet het boekje. Hij leest de paar woorden die er staan en pakt zonder iets te zeggen het gevraagde in. Nauwgezet schrijft hij de prijzen achter de geschreven woorden van mijn moeder en geeft het aan me terug.
“Zeg maar tegen je moeder dat ik straks de zakjes kolen kom brengen.”
Ik knik en stop de boodschapjes bij de rest in mijn tas. Nog één winkel te gaan.

De man is inmiddels ook klaar en heeft afgerekend.  Hij loopt voor me uit naar de winkeldeur en houd hem galant voor me open. Als ik naar hem opkijk zie ik weer die stralende blauwe ogen onder de rand van zijn hoed en wéér krijg ik een knipoog. Snel schuif ik langs hem heen naar buiten en zo rap ik kan, met mijn inmiddels toch wel zware boodschappentas, leg ik de paar meter naar de slagerij af. De helder verlichte winkel op de hoek van de straat ruikt naar vlees. De wit betegelde wanden en zwart/wit geblokte vloer maken dat het altijd koel aanvoelt. De slager met zijn bloed bevlekte schort en blozende gezicht staat achter het hakblok en draait zich bij het geluid van de winkelbel, om. Zijn brede glimlach beloofd straks weer een dikke plak worst! Als ik hem mijn boekje toesteek, schudt hij resoluut zijn hoofd.
“Nee, ik weet wel wat je moeder nodig heeft!!”
Hij reikt in de toonbank naar de schaal gehakt en trekt er een flinke pluk af die hij niet eens weegt! Snel rolt hij het vlees in een stukje papier waarna hij er een bruin pakpapiertje omheen vouwt. Dan pakt hij de grote leverworst die aan een haakje hangt en snijdt er een flinke plak af.
“Zo meissie”, fluistert hij samenzweerderig “lekker opeten en tegen niemand zeggen!!”
Hij werpt nog snel een blik over zijn schouder om te kijken of zijn vrouw niet in de buurt staat en schuift het pakje vlees over de toonbank naar me toe. Ik snap er eigenlijk niks van maar neem het pakje in ontvangst en stop de leverworst in mijn mond. Genietend kauw ik op het kruidige vlees.

Het is inmiddels bijna donker en de straatlantaarns floepen aan. Als ik vanuit de helder verlichte slagerij de straat op stap, zie ik de man weer staan. Hij staat met zijn rug naar me toe en lijkt te wachten tot hij de straat over kan steken. Op het geluid van de tinkelende winkelbel, draait hij zich om. Deze keer een glimlach op zijn gezicht, zijn jas hangt open en flapperd in de wind. Als twee vleugels rijzen de panden omhoog achter zijn rug. Ik druk me tegen de winkelpui aan en twijfel of ik door zal lopen of maar weer de winkel in zal gaan. In mijn kindergeest doemen de schrikbeelden op van de gefluisterde verhalen die ik af en toe opgevangen heb. “Kinderlokkers!!”  Op het moment dat hij een stap in mijn richting zet, open ik mijn mond om te gaan gillen. Hij steekt zijn hand naar me uit en dan zet ik het op een lopen. Ik laat de boodschappentas staan en ren naar de veilige haven van ons huis, slechts een kleine vijftig meter verderop. Het lijkt wel uren te duren voordat mijn moeder de deur opent terwijl ik in paniek met mijn kleine vuisten op het hout roffel. Ik val bijna naar binnen en verberg mijn gezicht tegen haar warme lijf. Snikkend vertel ik haar van “de kinderlokker”. Ze opent de deur weer en stapt zonder jas naar buiten. De straat ligt er verlaten bij in het licht van de lantaarns. Naast de voordeur staat de 'vergeten' boodschappentas. Zonder de man te zien, verscholen in het portiek aan de overkant, pakt mijn moeder de tas en sluit de deur. Ze stalt de boodschappen uit op de keukentafel en vraagt het boekje terug. Ik geef haar meteen de boodschap van de groenteboer en bakker. Ze knikt en ik zie nog net hoe een traan langs haar wang naar beneden glijdt voor ze zich omdraait naar de ketel wasgoed die op het gasstel staat te koken. Vanuit de huiskamer klinkt het gekraai van mijn broertje die in de box dichtbij de snorrende kolenhaard staat. Het voorval met de man is vergeten en ik steek mijn handjes door de spijlen heen om zijn zachte roze wangetjes te strelen.