woensdag 2 mei 2012

Vier het leven


30 april 2012 Westerbork

De zon strooit kwistig haar stralen vanuit de strakblauwe hemel naar de aarde. Vogels fluiten uit volle borst en het jonge groen ontvouwt zich waar je bij staat. Vanaf het bankje kijk ik uit over een veldje omzoomt door lariksen. De nieuwe naaldjes in teer groen, als kwastjes aan de takken. Mooi vind ik ze, heb ik altijd al gevonden. Ik sluit eventjes mijn ogen om het moment vast te houden. Dan is het voorbij en wandelen we over het parkeerplaatsje terug naar onze auto. Het zit erop en we aanvaarden de terugreis. Het is warm in de auto en al snel vallen mijn ogen dicht, ik wordt in slaap gesust door het monotone geluid van de motor en het suizen van de wind langs de geopende ramen.

“Mama! Mama!” Met een schok schrik ik wakker, even heb ik geen idee waar ik ben. De vreemde droombeelden vervagen snel behalve de zilvergrijze ogen van de jongen uit mijn droom. Nog even vertoef ik in het vreemde droomlandschap. De laatste flarden probeer ik met alle macht vast te houden. Het was zo'n mooie droom! De zon stralend aan een strakblauwe hemel, een landschap dat ik niet ken, groen, vooral groen! Hoge bomen met teer groen, alsof het voorjaar was. Mijn voeten op jong gras aan de rand van verroeste spoorrails. Tegenover me staat een jonge man, aan de andere kant van de rails. We kijken elkaar aan en ik herken zijn ogen, zilvergrijs, achter de brillenglazen. Het zijn de ogen van Levy. Een zachte bries brengt de toppen van de bomen in beweging, het ruisen heeft iets onaards, dan strijkt de wind over mijn gezicht en het zijne. Een vage glimlach, een blik van herkenning en toen was het voorbij.
“Mamale, hoelang nog?”
“Geen idee, jongen.”
Het is donker in de treinwagon, we zitten dicht op elkaar gepakt en aan mijn voeten ligt buurvrouw Cohen. Ze is ziek maar dat heeft de Duitsers niet weerhouden om haar op transport te sturen. Het stinkt naar uitwerpselen en braaksel, we worden niet alleen vervoerd als vee maar óók behandeld alsof we niets meer zijn dan varkens op weg naar de slachtplaats. Het snerpende gefluit van de trein snijd door mijn ziel en ik wens dat er snel een einde aan deze tocht komt. Hoewel....misschien ook niet want aan het einde van de rit wacht de dood. Oh nee, mij hoeven ze niets meer wijs te maken, ik ben niet gek! Ik wist het al toen we opgeroepen werden, na alle verordeningen was dit nog slechts een kwestie van tijd! Maup wilde de hoop niet verliezen maar we hadden gewoon naar Rientje moeten luisteren! We hadden onder moeten duiken! Maar nee, Maup wist het weer beter, de schlemiel.

“Mamale, ik heb honger”
“Ik weet het petsele, ik zal kijken of ik nog iets voor je heb”

De kleine koffer heb ik angstvallig dicht bij me gehouden, er mocht niet veel meer mee vanuit Westerbork, een paar kappies brood heb ik tussen de hemden kunnen stoppen. Buurvrouw Cohen maakt wat kreunende geluiden en ik voel haar krachteloze hand op mijn enkel.
“Water” lispelt ze.
“Jaja, zo meteen, eerst Levy en dan ben jij aan de beurt.”
Het bonken van de wielen op de rails zorgt ervoor dat mijn rug aanvoelt als een geknakte tak. Ik sluit mijn ogen nog even en vouw mijn handen over het ongeboren leven in mijn buik. Wat voor kleur zouden die ogen zijn? Ook zilvergrijs of misschien wel het hemelsblauw van Maup. Zullen die ogen überhaupt ooit de hemel zien? Ik sluit mijn oren voor de geluiden om me heen, het ingehouden snikken, de braakgeluiden en het rammelen van de sloten aan de buitenkant van de wagons.

“Mamale, ik denk dat we er zijn!”

De trein mindert vaart en ik hijs me overeind om tussen de spleten van de planken door, een glimp op te vangen van de wereld. Alweer dat snerpende gefluit van die ellendige locomotief. De avondlucht is rood gekleurd en een overweldigende stank vult mijn neusgaten.
“Wat is dit?”
Levy's hand klemt zich vast de mijne en ik probeer in het donker zijn gezicht te zien.
“Rustig maar hartse, alles komt goed”
Terwijl ik het zeg weet ik dat het nooit meer goed gaat komen. Dan stopt de trein en worden de luiken geopend. Sobibor.
Ik wordt door één van de mannen op het perron uit de wagon getrokken en sleur Levy met me mee, de koffer blijft achter. In een lange rij worden we opgesteld en er worden bevelen geschreeuwt in het Duits. Ik versta ze wel maar wil ze niet horen...”Laufen..dreckige Juden”
“Wat zeggen ze, mamale?”
“Niks bekl, niks bijzonders!”
De stank is overweldigend, daar zijn de stinkende veewagons helemaal niks bij. Zelfs de bewakers lopen met zakdoeken voor hun mond en ik zie ze kwistig schudden met hun flesjes '4711' Kölnisch Wasser...
“Waar is buurvrouw Cohen??”
We strompelen voort totdat ik zie dat mensen gescheiden worden, twee rijen. De duim wijst naar links of naar rechts. Ik knijp Levy's hand bijna fijn en trek hem steeds dichter tegen me aan. Wanhoop vult mijn hart. “Had nou maar naar Rientje geluisterd, Maup!” Maar Maup is niet hier, hij is al eerder op transport gegaan. Naar een 'werkkamp'. En dan sta ik voor hem, zijn priemende zwarte ogen werpen een ongeinteresseerde blik over mijn sjofele gestalte. Met een snelle beweging rukt hij mijn jas open en ziet mijn welvende buik.
“Ach...noch einer stink Jude”hij wijst naar rechts. Ik sleep Levy met me mee maar dan stapt hij naar voren en trekt hem van me los.
“Mama...mama!!”
Spartelend hangt hij een halve meter boven de grond en de smerige blik van zijn belager maakt de leeuwin in me los. Een forse trap in mijn rug en ik val. Een zwarte laars komt richting mijn gezicht, bloed vult mijn mond.
“Mama!!”
Levy valt voor me op de grond en de officier haalt een kleine rijzweep tevoorschijn. Alsof alles vertraagd wordt afgespeeld zie ik zijn arm naar beneden zwaaien en de zweep op Levy's rug terechtkomen. Zijn ogen, zijn mooie zilvergrijze ogen, vullen zich met tranen. En weer, en weer striemt de zweep op mijn kind. De laars op mijn rug zorgt ervoor dat ik niet overeind kan komen. Een schaterlach vult mijn oren. Aan mijn haren word ik overeind gesleurd en kan nog nét een laatste blik op mijn kind werpen, voordat hij aan zijn armen weggesleept wordt, naar links. Zijn bloesje is kapot geslagen en het bloed trekt een spoor over het perron.

“Mam, hé mam”
Een tikje op mijn schouder en ik open mijn ogen. Verdwaasd kijk ik naar buiten. We staan op de parkeerplaats voor ons huis.
“Mam, ik wil eruit...doe de deur eens open en stap uit!”
Met stijve knieën stap ik uit en geef mijn zoon de kans om ook uit de auto te kruipen. Ik kijk hem aan en zie een vage glimlach om zijn lippen en zijn ogen, zijn zilvergrijze ogen......