zondag 24 maart 2013

Een stukje hemel op aarde

Hemels Genot

Nu niet zeuren meid! Dit is wat je wilde, éérst Rome zien en dan sterven.
Met de moed der wanhoop bestijg ik de honderden treden in de koepel van de Sint Pieter. Mijn hart bonkt als een bezetene in mijn borstkas, elke ademtocht is een marteling en het zweet druipt prikkend in mijn ogen. Voor en achter mij, klimmende mensen die allemaal hetzelfde willen. Naar boven! Ik vraag me serieus af hoeveel personen zich daar boven bevinden en of het dak dat wel aan kan. Ik houd mijn blik strak gericht op de benen van mijn dochter en sleur mezelf, langs de leuning, de volgende tree op. De toch al smalle gang wordt nog smaller en begint enigszins naar rechts te hellen. Ik steun met mijn hand tegen de binnenkant van de koepel. Dit is toch géén doen. Een stekende pijn in mijn borst maakt dat ik even gierend naar adem hap en het word zwart voor mijn ogen. Als dit zó doorgaat, leg ik hier binnenin die verrekte koepel nog het loodje.
Niet “eerst Rome zien en dan sterven” maar “ter plekke in Rome sterven.”

De atmosfeer in het nauwe gangetje is niet te harden, zwetende en hijgende mensen maken dat de aanwezige zuurstof vergeven is van stank. Gelukkig haal ik adem door mijn mond anders zou ik ook nog over mijn nek gaan! Wéér een tree en dan eindelijk een klein nisje met een langwerpige opening waardoor een stukje van de blauwe hemel te zien is. Ik trek aan het shirt van mijn dochter en wenk met mijn hoofd naar links, ze snapt de hint. Even op adem komen! De man achter me heeft hetzelfde idee. Met een knalrood hoofd van inspanning schuift hij zijn dikke lichaam de nis in en ik word tegen de ruwe steen gedrukt. Daar gaat mijn kans op een paar happen frisse lucht. Maar als ik naar zijn zwoegende borst en bezweette gezicht kijk gun ik hem die paar teugen wel. Hij is er zo mogelijk nog slechter aan toe als ik. Mijn dochter is inmiddels in staat om op de 'noodknop' te drukken, die verwacht een dubbele hartaanval bij het setje in de nis. Ik schud mijn hoofd en verder gaat de tocht.
We voegen ons weer naadloos in de eindeloze stroom mensen die maar één ding willen.
“Omhoog, omhóóg!”

En dan eindelijk, eindelijk is daar het kleine ijzeren trapje dat naar buiten voert. Ik wurm mijn klamme lijf door de opening en stap op de 'krans' rondom het hoogste punt van de koepel. Een duw in mijn rug maakt dat ik bijna over de balustrade duik en een razend snelle terugtocht aanvaard. Een diepe zucht en mijn longen vullen zich met frisse lucht. Ik veeg het zweet van mijn gezicht en knipper een paar keer met mijn ogen tegen het felle zonlicht en daar ligt Rome aan mijn brandende voeten. Duidelijk tekenen de heuvels, waarop de stad gebouwd is, zich tegen de azuurblauwe hemel af. Recht voor me uit zie ik hoe het Sint Pieterplein overgaat in de Via della Conziliazione en in de verte zijn de contouren van Castel Sant ' Angelo zichtbaar. Daar gaan we morgen naar toe, nu wil ik alleen maar even zitten op het smalle stenen bankje dat tegen het dak van de koepel geplakt lijkt. De lange blonde haren van mijn dochter, verwaaien langs haar gelukzalige gezicht. Haar blauwe ogen wedijveren met de kleur van de hemel boven haar en even meen ik een stralenkrans om haar hoofd te zien maar dat zal wel door het zuurstof gebrek komen. Nog een paar foto's en weer naar beneden. Gelukkig weet ik nu wat me te wachten staat en ach, naar beneden gaat gemakkelijker dan naar boven.

Een blik op mijn horloge laat me zien dat het tijd wordt om de Sint Pieter te laten voor wat hij is. Mijn maag rammelt, de dag is verstreken zonder dat we er erg in hadden. De kunstschatten van Vaticaanstad hebben onze aandacht uren vastgehouden maar nu is het toch écht de hoogste tijd om weer naar het hotel te vertrekken voor ons diner. Nog éénmaal een hoge trap beklimmen. Bovenaan staan twee Romeinse goden die lonkende blikken naar mijn prachtige dochter werpen. Koket lonkt ze terug, ik sjok als een oud molenpaard achter haar aan en gun haar die blikken van harte. Ik wens nu nog maar één ding! Mijn door de airco gekoelde hotelkamer met het uitnodigende bed. Een tweede ademloos rondje door de Sixtijnse Kapel en via de “Ontdekking van de Hemel-trap” naar buiten. De muren van Vaticaanstad werpen lange schaduwen over de straat en in die schaduw wachten we op de bus. We hebben dorst en zijn gesloopt. Acht uur lang hebben we door overdadig vol geschilderde gangen gelopen. Met onze hoofden in standje moeilijk, de plafonds bekeken. Vol bewondering en verwondering de kunstzinnige uitspattingen aanschouwd. Maar nu is de energie-fles leeg en ons brein overvol, ik slaak dan ook een zucht van verlichting als de juiste bus arriveert.

Glijdend op de spekgladde stoeltjes proberen we in te schatten hoe de chauffeur de volgende bocht gaat nemen. Zes haltes verder stappen we zonder botbreuken weer op het hete asfalt om de laatste honderd meter naar ons hotel af te leggen. De lobby is overvol, er is zojuist een bus vol toeristen aangekomen en de weg naar de lift is versperd door rolators en koffers. Zuchtend beklimmen we, met het laatste restje moed, de twee trappen naar onze verdieping. Nog 20 stappen. Voordat de deur in het slot valt, heb ik mijn schoenen al uitgedaan en sleep mezelf naar de badkamer. Ik laat me op het toilet zakken en plant beide brandende klompen vlees in het bidet. Een druk op de knop en dan stroomt het verkoelende water over mijn getergde onderdanen. Een Hemels Genot! Met hoofdletters, ja!!!

@Marianna 2012

Één van de winnende verhalen uit de bundel "Een Hemels Genot" 

dinsdag 19 februari 2013

De Allerliefste








                                                      



                                                     De Allerliefste.



Blijf ik voor altijd jouw allerliefste?
Hou jij altijd het allermeest van mij?
Of hou jij van je eigen kindje meer?
En kom ik op de tweede rij?

Wat zij niet weten, geen van twee
Maar ik intussen wel
Is dat liefde meer wordt als je er veel van geeft
Er vele allerliefsten kunnen wonen in je hart.
Zoveel ruimte, zoveel kamers
Altijd eerste rang, allemaal eerste rij
Jij blijft voor altijd mijn allerliefste
....en jij... en jij.....EN JIJ


dinsdag 11 december 2012

Het keerpunt begint met de tranen van God


Het keerpunt begint met
de tranen van God

Al dagen draai ik er omheen, al sinds het moment dat ik het groene kartonnen doosje in mijn handen gedrukt kreeg van mijn vader. Hij had het gevonden tussen de spullen van mijn overleden moeder. Na de eerste vluchtige blik op de inhoud van het doosje, heb ik nog niet de moed kunnen vinden om er verder naar te kijken. Steeds opnieuw verplaats ik het van de tafel naar de kast maar nooit uit mijn blikveld. Soms denk ik zelfs dat er een vreemde aantrekkingskracht vanuit gaat, alsof stemmen uit het verleden me manen om een kijkje te nemen in hun leven van weleer. Ik weet wat er in het doosje zit, het zijn brieven en kaarten van lang geleden, zorgvuldig bewaard door mijn grootmoeder. Het tastbare bewijs dat ze ooit bestaan hebben, ooit een leven hadden voordat er ergens iemand besloot dat ze dood moesten. Maar nu is het dan zover, ik heb het doosje voor me staan en til het deksel eraf. De geur van vergeeld papier en vervagende inkt stijgt op en de zielen van de schrijvers verheugen zich op de stem die ik ze ga geven.
Bovenop het stapeltje ligt de foto van mijn grootvader, hij blikt ernstig in de lens van de camera die hem op dat moment vereeuwigde. In zijn ogen is het diepe verdriet te lezen dat zijn hart verscheurt heeft. Hij stierf toen ik vijftien was, na zijn zesde hartinfarct. Dat hij het nog zolang volgehouden heeft is een godswonder te noemen. Zijn wil om te blijven leven was zo groot, alsof hij wilde bewijzen dat hij boven de dood kon staan. Hij was één van de weinige overlevenden van de holocaust. Het grote keerpunt in het leven van miljoenen mensen.
Ik leg de foto naast me neer zodat hij met me mee kan kijken. Dan pak ik voorzichtig de totale inhoud uit het doosje en krijg een onwerkelijk gevoel, alsof ik even tussen twee werelden vertoef. Een rilling trekt door mijn lijf en ik besef dat deze erfenis meer waard is dan ik kon vermoeden. Vanuit hun onvindbare graven, strekken ze hun handen uit naar mij. Naar het leven.

De eerste enveloppe die ik open, bevat drie kleine vergeelde briefkaartjes verstuurd vanuit Westerbork aan mijn grootouders. De eerste is gedateerd op “11 October 1942” De tekst luidt;

“Lieve Simon en Rina,
Wij zijn nog steeds in Westerbork, wij zijn gezond maar komen een boel tekort. Levy ligt in het ziekenhuis in Doetinchem, heel Rotterdam ligt hier. Wij vertrekken zeker niet voor vrijdag, wees zoo goed en ga naar Miep in de Vijverhofstraat en zeg dat je zoo spoedig mogelijk levensmiddelen stuurt. Mijn adres is; Lager Westerbork. Barak 84. M. Hofstede- de Winter, 3 april 1894. Aan alle de groeten, Bets en Maup.”

Ik herinner me de verhalen van mijn oma, hoe ze vertelde over het grote Joodse gezin waarin ze als jong 'christelijk' meisje terecht was gekomen. Haar schoonmoeder, al jong weduwe geworden met de zorg voor 8 kinderen, was een typische Jiddische mama. Als een ware 'kloek' bestierde zij haar gezin en een grote slagerij. Tot het moment dat zij weggevaagd werden, gewist uit de tijd. Ontelbare keren heeft zij de namen genoemd van allen die weggevoerd zijn, hun wisse dood tegemoet. Ik heb ze in mijn geheugen geprent en nu, met het bewijs van hun bestaan in mijn handen ben ik blij dat ik ze 'ken'.

De tweede kaart is gedateerd op “15 October 1942”

“Lieve Simon en Rina,
Het is donderdag en wij zijn nog steeds hier en vertrekken denkelijk vrijdag 16 Oct. Wij zijn gezond maar het is hier niks goed. Weinig eten en slechte ligging. Doe moeder en kennissen de groeten. Als ik niet vertrek, schrijf ik om levensmiddelen, wij gaan op hoop van zegen. Kop op..het is hier stikvol. Doe Eef, tante Suus ( stukje onleesbare tekst) het beste, Maup en Bets.”

De derde en tevens laatste kaart is gedateerd op “18 November 1942”

“Lieve Rina, Simon en kinderen,
Vaarwel bij mijn vertrek vanuit Westerbork. Levy ( 's nachts 1 uur)”

Het handschrift is sierlijk maar duidelijk gehaast, de tekst veelzeggend. Voor mijn geestesoog reizen de beelden op zoals ik ze ken van documentaires op tv. De treinen met open vee-wagons, volgestouwd met mensen. Jong, oud, kinderen. Hartverscheurende beelden van gezinnen die uit elkaar gerukt worden. Tranen vullen mijn hart omdat ik nu weet wat zij slechts konden vermoeden. Het was hun laatste reis. Achterop de enveloppe, waarin de kaartjes hun laatste rustplaats hebben gevonden, is geschreven; Opoe Hofstede/Sobibor, Levy en Maurits/ Opertiliciè. Ik heb gezocht maar niet gevonden, het woord is nauwelijks leesbaar en de 'plaatsnaam' niet bekend. Ze zijn verdwenen via de schoorstenen van de crematoria, te samen met miljoenen anderen.

Mijn hand zweeft boven de volgende enveloppe, mijn vingers trillen als ik hem open. Twee opgevouwen, dicht beschreven vellen papier vallen eruit. Mijn oog valt op de ondertekening “ Denk nog eens aan jullie Leentje”. Helena Hofstede de jongste zus van mijn opa, naar haar ben ik vernoemd. Haar beeltenis heb ik gezien in het oude familiealbum, een jonge vrouw met bekende gelaatstrekken. Zij verkoos de dood boven ondraaglijk verdriet en heeft zich verdronken in de vaart achter haar onderduikadres. Zou ze voorvoeld hebben dat haar familieleden nooit hun plaats meer in zouden nemen? Haar afscheidsbrief is gericht aan 'Oom Kobus' en 'Tante Geertje', de mensen bij wie ze een veilige haven had gevonden. Ze verwacht geen wonder meer, iedereen is weg en zij vormt een gevaar voor de goede mensen en hun gezin. Verraders slapen nooit.

Wolken schuiven voor de zon en de schaduwen in de huiskamer verdiepen zich, ik heb het koud. Alsof het donkere, kille water van de vaart zich boven mijn hoofd sluit. Regendruppels kletsen tegen het raam en vervolgen kronkelend hun weg naar beneden. De tranen, die zich verzameld hebben in mijn ogen, stromen over mijn wangen en vermengen zich met die van God. Dan breekt de zon weer door de wolken en het licht verdrijft de duisternis.
Een snelle blik op de klok laat zien dat het hoog tijd is om mijn kleindochter uit school te gaan halen. Ik hunker ernaar om haar in mijn armen te sluiten en het leven te omhelzen. Het leven dat voor velen zo abrupt geëindigd is. Het keerpunt voerde niet naar het eindpunt. Het bloed van Salomon, David, Simon, Levy, Maurits, Isaak, Corry en Leentje stroomt door mijn en haar aderen. Voorzichtig schuif ik de brieven terug in de enveloppe, het papier voelt broos en teer. Dan de foto van mijn grootvader weer bovenop het stapeltje en ik sluit het deksel van de doos. Het is mooi geweest voor vandaag. Met een zucht trekken de geesten zich terug in de schaduwen. Ze zijn tevreden, ze zijn 'gekend'. 

* Gepubliceerd in de bundel "Het Keerpunt" van uitgeverij LetterRijn.

Het Sprookjesboek, deel zes/slot


December 2011

Mijn kerstgevoel is weer vér te zoeken. Ondanks de muziek op de radio, de opgetuigde boom in de kamer en de feestelijke verlichting in de straten. Met mijn jas open vanwege de hoge temperatuur, wandel ik door de stad. Kerstkadootjes kopen terwijl ik het gevoel heb dat de lente in aantocht is. Gisteren zag ik in de tuin al hyacinten hun kopjes opsteken! Dit jaar vieren we kerst bij onze oudste zoon. Gisteren heb ik samen met mijn schoondochter de boodschappen al in huis gehaald. Toch zal deze kerst anders dan voorgaande jaren zijn. Voor het eerst sinds het overlijden van mijn moeder, zal mijn vader de kerstdagen weer gezamenlijk met ons vieren. Daar verheug ik me dan weer wel op! We hebben hem gemist, net zoals we mijn moeder gemist hebben. Het leek wel alsof ze er allebei niet meer waren! Ik glimlach in mezelf, “zit je nu te stralen op je wolkje, mam?”

De ene na de andere winkel wandel ik in, op zoek naar iets voor onze dochter. Ach, het gaat niet om de kado's het gaat om de saamhorigheid die we voelen, als gezin. Die pakjes onder de boom zijn voor de gezelligheid! Zelfs onze kleindochter van 4 heeft dat gevoel al. Ze vind het heerlijk om kadootjes uit te delen en mee te helpen met uit pakken, daar legt ze zelfs haar eigen kadootjes even voor apart. Als ik aan haar denk, overstroomt me een groot geluksgevoel. Wat zijn we toch rijk met ons prachtige gezin.  Wat wil een mens nou nog meer? Binnen drie kwartier heb ik gevonden wat ik zocht en kan ik terug naar huis.

Ik betrap me erop dat ik een kerstliedje mee neurie, terwijl ik de kadootjes voorzie van een glanzend papiertje. Ik kijk de kamer rond en voel me tevreden. Op de kast het kerstdorpje dat ik in de loop van 33 jaar verzameld heb. Het pronkstuk is natuurlijk het houten kerkje dat mijn vader gemaakt heeft. Ik zie hem nog bezig, aan de keukentafel. Met een figuurzaag en plaatjes triplex. Onder zijn vaardige handen ontstond een prachtig kerkje en ik verheugde me op kerstavond, het moment waarop we de kerstboom op gingen tuigen en het kerkje een prominent plekje zou krijgen. Na jaren van kartonnen kerkjes zou dit een blijvend exemplaar worden. Inmiddels maakt dit kerkje al weer jaren deel uit van mijn verzameling. Onze kleindochter kan er niet genoeg naar kijken en streelt met haar kleine handje over de treetjes van het rode trapje.
“Mag ik er een popje bij zetten, oma?”
Natuurlijk mag dat en ze plaatst een minuscuul klein figuurtje bij de kleine deurtjes.
“Dat ben ik hè, oma? Ik ben de prinses en ik ga in dat mooie kerkje trouwen.”Haar fantasie kent nog geen grenzen.
“Lees jij zo een sprookje voor? Dat verhaal van “Sarah” wil ik horen!”
Ik weet wat ze bedoelt, het verhaal over “De sneeuwbol” dat ik vorig jaar geschreven heb. Samen kruipen we op de bank, haar beentjes opgetrokken, haar hoofdje tegen mijn arm. De lampjes in de kerstboom werpen een zachte gloed over haar zwarte haartjes en ik voel zo'n wonderlijk sterke band met dit kind. Het kind van mijn kind. Aan de zwaarte van haar hoofdje voel ik dat ze in slaap is gevallen en ik streel haar zijdezachte huid. Voorzichtig, om haar niet te wekken, laat ik haar langzaam tegen het kussen glijden en sla de gebloemde plaid over haar heen. Haar handje, dat mooie bruine knuistje met die aandoenlijk roze handpalm, hangt ontspannen over de rand van de bank. Op de radio hoor ik een bekend melodietje voorbij komen en juist dat deuntje herinnert me weer aan vervlogen kerstfeesten. Het riedeltje dat  gefloten wordt, lijkt precies op de manier waarop mijn vader fluit. Ooit zeiden mijn zus en ik tegen elkaar; “Als pa er niet meer is, horen we elk jaar met kerst tóch zijn fluitje nog!”
Vreemd dat je eigenlijk achteraf pas weet hoe gelukkig je toen was. Ik sluit het moment van nu in mijn hart, ik weet nu, op dit moment, dat ik gelukkig ben!

Opeens vraag ik me af waar ik toch mijn oude sprookjesboek gelaten heb en ik verdwijn naar boven. Op de logeerkamer hangen een aantal planken aan de muur, afgeladen met boeken. Alles staat kriskras door elkaar maar naast “Sprookjes van moeder de gans” ontwaar ik de half verteerde wit lederen band van mijn oude boek. Voorzichtig probeer ik het tussen de andere boeken vandaan te trekken maar meteen schuiven de fotoalbums die ernaast staan, mee de grond op. “Toe maar...nog meer rommel om op te ruimen!” Ik laat ze maar even liggen en ga op de rand van het kleine bed zitten, het boek op mijn schoot. Voorzichtig sla ik de beduimelde pagina's om op zoek naar de prachtige gekleurde prenten. “Het meisje met de zwavelstokjes”  en  “De rozenelf”. Ik verlies mezelf in de verhalen en ben weer even dat kind van toen. Een kleine stem van beneden brengt me weer terug in het heden. Het boek blijft achter op het kleine bed.

Op weg naar het kerstfeest op school, herinnert de kleine zich dat we het verhaal niet af gemaakt  hebben. “Morgen, schatje, morgen verteld oma het sprookje nog een keer!” Met haar kleine hand in de mijne betreden we het versierde klaslokaal. Op elke tafel staat een zelfgemaakt lantaarntje, gekleurd papier achter de venstertjes geplakt. Een lichtje op elke tafel, 20 glunderende snuitjes. Glanzende kinderogen, hun opgewonden stemmen klinken door de klas. En dan weet ik het, dit is kerstmis!!
Die nacht verschijnen ze in mijn droom, hand in hand. Zij draagt een donkerrode fluwelen cape, afgezet met bont. De capuchon half over haar kastanjebruine krullen, lachende groen/bruine ogen. Zijn lange jas hangt open en de panden wapperen in de wind, als vleugels verrijzen ze achter zijn rug omhoog. De hoed heeft hij in zijn andere hand. Op de achtergrond klinkt muziek en ze wenken me om samen met hen te dansen. Hun handen raken de mijne en er is blijdschap in mijn hart. Dan gaan we op het bankje aan de rand van het plein zitten. De lantaarns werpen met hun gelige licht, kringen op de keien. De man kijkt me aan met zijn stralende blauwe ogen, hij glimlacht en streelt mijn gezicht.
“Begrijp je het nu?” vraagt hij.
“Nee, ik begrijp er helemaal niks van!”
“Begrijp je niet dat het pad gevolgd hebt dat voor jou bedoeld was? Je moeder begreep het wel!”
Ik kijk in haar prachtige ogen en zie de liefde die ik zo node mis. Ze lacht naar me en wijst op het boek dat op haar schoot ligt. Het is mijn oude sprookjesboek. En dan begrijp ik het! Zij hebben mijn liefde voor verhalen gevoed door me te laten lezen. Mijn fantasie geprikkeld en me laten geloven in sprookjes. Op mijn schoot ligt een nieuw boek, wit leren kaft met gouden letters “Sprookjes van Marianna”. De eerste pagina’s zijn al gevuld met mijn eigen verhalen en prachtige prenten waarin ik de hand van de kunstenaar herken; mijn vader!
Een mooier kerstgeschenk had ik niet kunnen krijgen, mijn eigen kerst-engelen gaven me de moed en inspiratie om te schrijven en ooit....ooit ligt mijn sprookjesboek onder de boom. 

Dit verhaal draag ik op aan mijn moeder; Teuntje Helena Hofstede 17/02/1939 - 11/04/2008


zondag 9 december 2012

Het Sprookjesboek, deel 5


Deel 5

December 2008

Terwijl ik sta te wachten op het pontje dat me naar de overkant zal brengen, druppen de tranen over mijn wangen. Op de radio kerstmuziek, “Driving home for Christmas”. Met een resoluut gebaar druk ik op de knop zodat hij er het zwijgen toe doet. Géén kerstmuziek en al helemaal niet dit nummer, niet nu op dit moment! Het rimpelende water van de rivier en de kleur van de hemel weerspiegelen mijn gevoel; grijs! Zo voel ik me al maanden, sinds de dag dat 'mijn zon' onderging. Aan de overkant van de rivier wacht een leeg huis op mijn bezoek. De laatste kilometer lijkt wel geplaveid met glasscherven. Elke meter is een worsteling, een martelgang. Als ik het pad opdraai dat naar mijn ouderlijk huis voert, krijg ik het gevoel dat ik stik. Stik in de tranen die ik niet meer kan huilen. Ik wil niet uit de auto stappen, ik kan niet naar binnen. De voordeur gaat open en mijn vader stapt naar buiten. Hij heeft me al gehoord. Als ik naar hem kijk, breekt mijn hart in duizend stukken. Hij loopt het tuinpad af om me te begroeten, zijn gang is wat onzeker alsof de grond onder zijn voeten niet meer zo stevig is als voorheen.

In de stille, koude keuken staat een doos op tafel. Daar ben ik voor gekomen. We kijken elkaar aan, hij en ik, weten even niets te zeggen. Dat hoeft ook niet, we weten het allebei. Niets wordt ooit nog hetzelfde! 
“Zal ik koffie zetten?”
Ik knik met dichtgeknepen keel en ga voorzichtig zitten op mijn oude plekje naast de kachel.
Als hij met de twee kopjes koffie naar de tafel loopt zie ik zijn handen beven, niet omdat hij ouder wordt, het is pure emotie die door zijn stoere lijf raast. Ook hij gaat op zijn vertrouwde plaats zitten, de stoel van mijn moeder blijft leeg. Zonder te spreken roeren we allebei in onze koffie en stellen het moment uit. Ik krijg geen slok naar binnen en zet het kopje terug op de schotel.
“Zal ik dan maar kijken wat je in die doos hebt gedaan?”
Het lijkt wel alsof ik in een vertraagde filmopname speel, het lijkt eeuwig te duren voordat mijn hand de flap karton weggetrokken heeft en de inhoud van de doos zichtbaar wordt.
Een snik welt op en ik slik hem terug. Bovenop liggen wat stoffen Kerstspulletjes die ik ooit voor mijn moeder gemaakt heb, een krans en een kaarten-lint. Daaronder een doosje waarin zilveren klokjes en kleine glazen engeltjes,die flonkerend het licht vangen. Mijn hand trilt als ik ze eruit til.
“Die heb ik samen met mama gekocht!” Hij knikt.
De ene na de andere herinnering haal ik uit de doos en koester ik in mijn handen. Totdat ik op de bodem van de doos een pakje zie liggen, omwikkeld met papier. Het voelt zwaar aan, als een boek. Als ik het papier eraf haal weet ik wat ik in mijn handen heb. “Sprookjes van Andersen” staat er in verbleekte gouden letters op de beschadigde, vuil witte kaft.

Hij kijkt me aan en ik zie de tranen in zijn ogen. We denken allebei op hetzelfde moment terug aan die kerst, lang geleden. Toen alles anders was. Ik strijk met mijn hand over het bijna vergane leer. Aangetast door de tijd en door smoezelige kinderhanden die het telkens weer aangeraakt hadden. Dan eindelijk, na 44 jaar stel ik de vraag.
“Van wie heb ik dat boek nou eigenlijk gekregen, pa?”
Een vage glimlach glijd over zijn gezicht en zijn ogen krijgen een dromerige uitdrukking, zijn geest vliegt even terug naar 1964.
“Je moeder had een afspraak met de boekhandelaar. Ze betaalde elke week een klein bedrag en hij zou het bewaren totdat ze het gehele bedrag betaald had.”
Ik herinner me opeens die zaterdag!
Hij verteld verder;
“We hadden zó weinig geld en soms kon ze dan een andere winkelier niet betalen omdat ze zo graag dat boek voor je wilde kopen. Ze spaarde zegeltjes en legde elke cent apart!”

Ik sluit mijn ogen en zie mijn moeder zoals ze was, toen! Haar prachtige kastanjebruine krullen en de lieve groen/bruine ogen. Haar handen die mijn lange haren borstelden en me troosten als ik verdrietig was. Haar stem die de verhaaltjes voorlas als ik diep onder de dekens weggedoken lag. Ze buitelen door mijn hoofd, die fijne herinneringen, het gevoel van geborgenheid en de liefde, vooral de liefde!!

“We redde het niet, het was niet genoeg en vlak voor kerst is ze toen naar de boekenwinkel gegaan om te vragen of ze de rest later af mocht betalen. Ik vergeet nooit meer het moment dat ze thuis kwam, mét het boek! Haar gezicht straalde en ze was helemaal gelukkig! Iemand, vraag me niet wie, had de rest van het boek betaald. Het lag al ingepakt op haar te wachten toen ze in de winkel kwam.”

Nu begrijp ik hun beetje vreemde gedrag van toen, ze wisten allebei niet wie de gulle gever geweest was. Het beeld van de man met de hoed flits door mijn gedachten; “Het zal toch niet?”

Mijn vader staat op en helpt me de spulletjes weer in te pakken. Onze handen raken elkaar en hij houdt de mijne even vast. De vraag brandt op mijn lippen;
“Kom je naar ons toe met kerst, pa?”
Hij schud zijn hoofd en schraapt zijn keel.
“Nee meisje, ik blijf thuis. Hier, samen met haar.”

Het Sprookjesboek, deel 4


December 1968.

Nog steeds ben ik er niet aan gewent dat ik nu een slaapkamer boven heb. Ons vorige huis was 4 kamer benedenwoning, het pand had nog twee verdiepingen en op de bovenste woonde mijn vriendinnetje Truus. Als ik of wij wilden spelen dan riepen we elkaar gewoon. Ik ging in de tuin staan of zij op het balkon.  Maar de badkamer in ons nieuwe huis is een soort wonder met een lavet. Heel iets anders dan de tot douche omgetoverde inbouwkast in de keuken.

 Sinds drie maanden wonen we in een klein dorpje aan de rand van de Utrechtse Heuvelrug en ik mis de stad! De mensen hier praten raar, soms kan ik ze niet eens verstaan! Ze begrijpen mij ook vaak niet als ik om krootjes of blikzult vraag, dan moet ik het aanwijzen en lachen ze me uit! Het huis is wel fijn met een voor- en achtertuin en een boven- en zolderverdieping maar de rest vind ik maar niks! Ook mis ik mijn oude school en vriendinnetjes. Op de nieuwe school zitten jongens en meisjes samen in één klas. Op mijn vorige school zaten de jongens boven en de meisjes beneden, we speelden ook niet tegelijkertijd op het ommuurde schoolplein. Alles is hier anders!

Volgens mijn moeder is het hier beter, gezonder dan in de stad want we wonen nu vlak bij het bos. Het is ook beter voor mijn broertje en zusje maar ik weet dat mijn moeder ook naar de stad verlangt, soms huilt ze. Vaak kruip ik dan maar in mijn stoeltje bij het raam met een boek op schoot, als ik lees heb ik geen heimwee. Als ik lees ben ik niet meer “hier”! Wat wel fijn is, ik mag hier alleen naar de bibliotheek want die is vlakbij, gewoon tussen wat heggen door, achter wat huizen langs. Dus ik ga elke woensdagavond naar 'de bieb' en mag dan 3 boeken meenemen. Ik lees ze allemaal! Het liefste natuurlijk sprookjesboeken; Sprookjes van Grimm maar ook andere verhalen. Ik hou van lezen!

“Wil jij de taart even ophalen bij de bakker?”
Het kost me moeite om mezelf los te rukken uit het spannende verhaal en ik heb dan ook helemaal géén zin om die taart op te gaan halen. Morgen is het 13 december en is mijn zusje jarig.  Twee jaar wordt ze! Het is mistig en miezerig weer en al vroeg donker. Met tegenzin trek ik mijn jas aan en neem het geld van mijn moeder aan. Ze ziet er een beetje verhit uit. Op het gasstel staat het avondeten al klaar en in de huiskamer een strijkplank met een berg kleren in de mand ernaast. Dat is het klusje voor vanavond! Als de kleintjes op bed liggen en de afwas gedaan gaat ze strijken en vaak is het al laat voordat ze eindelijk kan gaan slapen. Mijn vader komt deze week niet thuis, hij is op bivak maar als hij dan thuis komt heeft ie weer een hele plunjezak vol vuile kleren bij zich. Wéér wassen en strijken!

 De bakkerij zit aan het einde van de straat en grenst aan het schoolplein. Tijdens de pauze sta ik vaak bij het hek zodat ik in de bakkerij kan kijken en zie de grote mengmachine's draaien waarin het deeg voor de broden gekneed wordt. De mist is nog dikker geworden en fijne nevel-druppeltjes plakken op mijn gezicht.  Ik heb een hekel aan dit weer, je kan bijna niks zien! Snel loop ik richting de bakkerij en huiver bij de gedachte dat ik langs het donkere schoolgebouw moet, het plein ligt er verlaten en spookachtig bij. Dan hoor ik ze, de voetstappen achter me en ik kijk schichtig achterom. Natuurlijk zie ik niks en ik ga sneller lopen. Ook de voetstappen achter me versnellen en bijna buiten adem kom ik bij de achteringang van de bakkerij aan. Ik kijk nog een keertje achterom maar weer niks te zien. Dan stap ik de warme bakkerij binnen, ze zijn alweer druk aan het werk het is immers bijna kerstmis en er wordt veel gebakken in deze tijd. Het ruikt er heerlijk naar kaneel en rozijnen en overal staan grote bakplaten klaar met broden.  De bakkersknecht overhandigt me een grote witte doos waarin de taart. Ik zal voorzichtig moeten lopen! Een beetje angstig begin ik aan de terugweg, de grote doos voor me uit houdend. In elke schaduw meen ik mijn achtervolger te herkennen. Ter hoogte van het schoolplein hoor ik ze weer! De voetstappen. Mijn hart bonst in mijn keel maar ik durf niet harder te gaan lopen. Stel je voor dat ik de taart laat vallen! In het wazige licht van de straatlantaarn aan de overkant van de straat,  meen ik iemand te zien staan. Een man met een lange jas en een hoed op zijn hoofd. Opeens herinner ik me mijn droom van lang geleden. Zou hij het weer zijn? Het is moeilijk om hem goed te kunnen zien maar hij lijkt er wel erg veel op. Opeens ben ik ook niet bang meer. In het voorbijgaan tikt hij met zijn hand aan de rand van zijn hoed en ik glimlach.

24 december 1968.

Samen met mijn vader sta ik in de voortuin. We hebben de kerstboom samen opgetuigd en kijken nu door het raam naar binnen om te kijken “hoe die staat”. De gekleurde lampjes flonkeren in de verder bijna donkere kamer. Genietend druk ik me tegen hem aan en hij slaat zijn arm om me heen.
“Mooi hè, lieverd?!”
Ik knik en voel me blij van binnen. Wij hebben de mooiste kerstboom van de héle wereld! Ondanks mijn heimwee naar de stad, naar mijn opa's en oma's ben ik toch gelukkig. We zijn samen en het is bijna kerst.

zaterdag 8 december 2012

Het Sprookjesboek, deel 3


December 1966

Huppelend leg ik de laatste meters naar huis af, de smaak van anijsmuisjes nog in mijn mond. Vandaag heeft Solweig getrakteerd op beschuit met muisjes, haar zusje is vannacht geboren! Misschien wordt onze baby ook wel vandaag geboren! Het duurt een beetje lang voordat mijn moeder de deur opendoet maar dan eindelijk kan ik naar binnen om te vertellen van de traktatie op school.
“Mag ik óók trakteren als onze baby geboren is?”
Ik wijs op haar dikke buik onder de geplooide groene overgooier, één van de twee die ze vrijwel dagelijks draagt. De andere is donkerrood.
“Dat weet ik nog niet hoor” zegt ze terwijl ze zich omdraait naar het fornuis waar die eeuwige was op staat te koken. In de gang zijn lijnen gespannen en voor de kolenkachel staat een houten rek. Beide hangen altijd vol met kleren en de luiers van mijn broertje. Ik heb een hekel aan de lucht van kokend wasgoed en aan het vocht dat altijd in ons huis blijft hangen. De ramen zijn beslagen en druppels trekken spoortjes naar beneden. Maar misschien gaat het wel vriezen, dan word al dat water ijs! Dan kan ik met een warme stuiver of een cent mooie rondjes smelten en kijkgaatjes maken!
“Ga maar even met je broertje spelen” zegt ze terwijl ze steunend en kreunend de grote ketel van het gas tilt. Het water klotst een beetje over de rand en zo snel ze kan met die dikke buik, hevelt ze de kokende was over in een teil koud water om te spoelen. Eigenlijk heb ik geen zin om met mijn broertje te spelen. Ik voel even voorzichtig aan mijn gehavende neus waarin hij me gisteren gebeten heeft.

De afgelopen twee jaar zijn in mijn gedachten versmolten tot één lange grijze dag. Vanaf het moment dat mijn broertje ziek werd tot nu.  Het lijkt wel alsof het altijd winter is gebleven. Een lange grijze, kille winter.  Ik weet het nog precies, die ene nacht! Hij was al een paar dagen ziek en had hoge koorts, de dokter was geweest. 's nachts werd ik wakker en kwam mama niet toen ik riep. Het was stil in huis, veel stiller dan normaal. Raar is dat eigenlijk, ook al slaapt iedereen dan is het toch niet stil. Alsof je van binnen weet dat er andere mensen in de buurt zijn. Die nacht was het doodstil en kwam er niemand om me gerust te stellen. Voorzichtig glipte ik mijn bedje uit en schuifelde de gang over. Nog eens riep ik; “Mama?” En opeens hoorde ik vlak achter me een stem! Mijn hart sloeg minstens drie slagen over. De stem klonk geruststellend en vertelde me dat mijn ouders met mijn broertje naar het ziekenhuis waren. Ik hoefde niet bang te zijn! Volgens mij heb ik toen zó hard gegild dat ze me drie blokken verder konden horen! Een paar minuten later stond de buurvrouw in de gang en troostte me. Mijn ouders waren inderdaad met mijn babybroertje naar het ziekenhuis want hij was héél erg ziek! Negen maanden oud was hij. Toen ik hem weer zag was hij bijna twee! Ik herinnerde me een mollige baby met zachte blonde vlashaartjes maar het kindje wat nu in de box zat was een peuter met een bos dikke blonde krullen. Vijftien maanden had ik hem niet gezien, slechts elke dag met mijn boek in de wachtkamer van het ziekenhuis gezeten. Niemand mocht bij hem alleen papa en mama. Eerst alleen achter glas en later met zo'n wit pak aan. Vijftien maanden had ik elke dag na school, daar in het ziekenhuis gezeten en in die tijd had ik mijn dikke sprookjesboek twee keer gelezen. Sommige verhaaltjes zelfs drie keer! Zoals “Het meisje met de zwavelstokjes” die vond ik zó mooi!

Één keer had mama gevraagd hoe ik wist dat ze die nacht naar het ziekenhuis waren gegaan. Ik heb haar toen verteld van “die stem”, volgens mij geloofde ze er niks van! Toch weet ik zeker dat er 'iemand' was! Maar nu denk ik er niet meer aan!

Die nacht komt papa me wakker maken, hij kleed me aan en verteld dat de baby geboren wordt en hij me naar het huis van oma gaat brengen! Wat spannend, ik mag op mijn vaders rug zitten, dan kan hij harder lopen! We leggen de paar straten naar het huis van mijn oma zwijgend af. Ik houd me stevig aan hem vast terwijl zijn voetstappen hol weerkaatst worden door de huizen langs de straat. Het heeft iets betoverends zo midden in de nacht onder de heldere vrieshemel. De sterren flonkeren, bijna blauw en de maansikkel verbergt zich af en toe achter de hoge daken. Eenmaal bij oma mag ik in bed bij één van mijn tantes en val meteen weer in slaap.  De volgende ochtend word ik wakker gemaakt door mijn tante met de mededeling dat mijn baby-zusje is geboren! Een zusje! Dat wilde ik zó graag.

Thuis ligt mama in bed en de nieuwe baby in het wiegje in de hoek van de slaapkamer. Mijn vader duwt het dekentje een beetje opzij zodat ik haar kan zien. Wat lief!! Mijn zusje! Een mooier kerstfeest had ik me niet voor kunnen stellen! Twaalf dagen later liggen er pakjes onder de boom, een naaikistje gemaakt door mijn opa. Mijn oma heeft het gevuld met klosjes garen en borduurzijde. Lapjes stof in allerlei kleuren en knoopjes. Mama heeft me breien geleerd en nu gaat oma me leren hoe ik moet naaien en borduren! Die nacht droom ik een vreemde droom;

In mijn droom ben ik volwassen en bevind me op een groot plein ergens midden in de stad. Het is kerstmis en er staat een prachtig verlichte boom midden op dat plein. Er staat iemand naast me en als hij mijn naam noemt, herken ik zijn stem! Het is de stem die me toen die nacht vertelde waar mijn ouders waren. Als ik me naar hem toe draai zie ik een man met een lange zwarte jas en een hoed. Zelfs in mijn droom herinner ik me die man! Hij knikt me vriendelijk toe en dan pakt hij mijn hand. We wandelen samen naar een bankje en hij vraagt me te gaan zitten. Dan heb ik opeens het dikke sprookjesboek op schoot maar de sprookjes zijn niet dezelfde als in mijn échte boek! De prenten zijn ook anders, ik zie mezelf als jonge moeder met kleine kinderen om me heen. Ik lees ze voor uit een boek. Dan zie ik een prent van mezelf dat ik achter een soort machine zit, het is een naaimachine verteld hij. Ik maak kleren! En dan als laatste zie ik een prent waarop ik aan een tafel zit met een potlood in mijn hand en een boekje voor me. Als ik weer naar hem opkijk is hij verdwenen en word ik wakker.

Wat een vreemde droom